Bussana werd rond 1050 na Christus gesticht op een stenen heuveltop waar de voormalige landeigenaar, een van de Graven van Ventimiglia, een huis liet bouwen. In 1259 werd het huis gekocht door de Republiek van Genua.
In het begin van veertiende eeuw steeg het aantal huizen, en daarmee het aantal inwoners, drastisch. De kapel van het kasteel werd al snel te klein bevonden voor de gehele congregatie. Daarom werd al snel besloten tot de bouw van een grotere kerk. De bouw van deze kerk, die werd gewijd aan S. Egidio. Later werden er nog eens twee altaren aan toegevoegd vanwege de bevolkingstoename. Deze nieuwe altaren werden voltooid in 1505. In 1652 werd een groot deel van de romeinse structuur afgebroken om plaats te maken voor een barokke kerk.
De kolommen die de twee altaren begrensden werden weggenomen en zes kapellen, ieder met eigen altaar, werden in de buren gebouwd. Gerolamo Comanedi, een jonge kunstenaar uit Osteno (Lugago) werkte hier zijn leven lang aan prachtige interieurdecoraties met schilderingen en fresco's. Een eeuw later voegde een van zijn neven, naar hem vernoemd, nog fresco's en pleisterwerk toe om het werk aan de zijkapellen af te ronden. Antonio Storace uit Sampierdarena en G.M. Marazzo uit Riva Ligure, beiden schilders, werkten hier eveneens. De façade werd in 1807 gerestaureerd door de gebroeders Adani uit Como.
Tijdens de grote aardbeving op 23 februari 1887 vond de eerste schok plaats om 6.21 uur in de ochtend.
Drie kilometer naar beneden, dichter bij de, zee werd de eerste steen van het nieuwe gemeentehuis van Bussana gelegd op 14 juni 1889. Het nieuwe Bussana verrees dus vrijwel meteen nadat het oude was verwoest.
Clizia, een pottenbakker en schilder uit Turijn, kwam in 1959 naar Bussana Vecchia. Hij dacht dat hij hier de ideale plek had gevonden om een internationaal kunstcentrum te vestigen. In 1961 richtte hij de Internationale Gemeenschap van Kunstenaars op met dichter Giovanni Fronte en schilder Vanni Giuffré.
Uiteindelijk begon de restauratie van de minder beschadigde gebouwen met het verplaatsen van steenhopen. Er was geen water, elektriciteit of riool. Al snel kwamen er meer kunstenaars naar Bussana Vecchia. Zij waren afkomstig uit Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Oostenrijk, Nederland en Italië zelf. Sommige kunstenaars vestigden zich er permanent, anderen kwamen tijdens bepaalde periodes van het jaar.
Aan het einde van de jaren zestig bestond de Gemeenschap uit ongeveer 30 kunstenaars: schilders, beeldhouwers, pottenbakkers, muzikanten, acteurs en ontwerpers. Clizia verliet Bussana Vecchia om een pottenbakkersschool te openen in Costigliole d’Asti.
Sommige andere kunstenaars volgden zijn voorbeeld omdat ze dachten omdat er aan de goede ervaring ooit een eind moest komen. Anderen werden getrokken door de betoverende sfeer in het oude dorp en besloten te blijven.